Zolang wij ademhalen
schept Gij in ons de kracht
om zingend te vertalen
waartoe wij zijn gedacht

Ruim zes jaar geleden verzorgden Elske te Lindert en ik een ouderenmiddag over het toen pas verschenen liedboek. We hadden afgesproken dat we allebei een lievelingslied zouden uitzoeken. We kozen hetzelfde lied: 657. De eerste regels van het lied staan bovenaan deze overweging.

Ik schrijf dit een paar dagen nadat onze landelijke kerk de voorwaarden heeft bekend gemaakt, waaronder gemeenteleden de kerkdiensten weer mogen gaan bezoeken.
Eén van die voorwaarden is dat er door de kerkgangers niet wordt gezongen. Alles wijst erop dat met zingen, nog meer dan met spreken, het virus wordt verspreid.
Mijn eerste reactie was ‘Dat nooit!’ ‘Een dienst zonder zingen is geen dienst’. Mij lijkt het vreselijk om als kerkganger in een dienst te zitten, waarin ik niet mag zingen. Zingen is zoiets wezenlijks voor mij. Het geeft zoveel betekenis aan mijn geloof. In de kerk zitten zonder te zingen is voor mij een onmogelijke mogelijkheid.

En toch lijkt er vooreerst geen andere mogelijkheid dan het zingen te laten.
We mogen elkaar ook niet ziek zingen.
Het coronavirus grijpt met zijn tentakels diep in ons leven in. Dat ervaren we elke dag.
We missen de collega’s op het werk. Grootouders missen de knuffel met hun kleinkinderen. Met een grote boog lopen we om elkaar heen op straat.
En we kunnen dus ook niet zingen.
Een buitenstaander zal zich misschien afvragen ‘is dat nou zo erg?’. Ja, ook dat is erg, omdat het zo wezenlijk is voor ons geloof. En zo grijpt het coronavirus ook diep in in de manier, waarop wij ons geloof kunnen beleven.

Wie de moeite neemt om lied 657 eens helemaal te lezen, of misschien wel thuis te zingen, in zijn eentje of samen, die heeft steeds weer een nieuwe ervaring. Elk couplet krijgt een nieuwe, andere kleur in deze tijden van corona, waarin we niet samen mogen zingen. Zo vergaat het mij tenminste als ik de coupletten lees.
Neem alleen al de regels in het derde couplet: ‘God, laat het nooit ontbreken aan hemelhoog gezang.’ Hoe vaak hebben we deze regels niet gezongen? Maar een goede kans dat we de diepgang ervan nooit zo hebben ervaren als nu. Nu het zingen ons ontbreekt. Want dat we ooit niet zouden kunnen zingen, dat had toch niemand voor mogelijk gehouden.
Ik zal de dag prijzen, waarop ons gebed wordt verhoord en we dit lied weer samen uit volle borst kunnen zingen.

Peter Bochanen