“De angst voor de dood leeft niet meer.”
Eén van de meest gangbare manieren voor een gedetineerde om kenbaar te maken dat hij bijvoorbeeld een arts wil zien of de dominee wil spreken, is door middel van het invullen van een verzoekbriefje. Hij kan daarop dan aankruisen dat hij de dominee wil spreken. Er is ook ruimte gelaten voor de reden van dit verzoek. Vaak vult een gedetineerde dan in: “gesprek” of “omdat ik gelovig ben”. Soms is een gedetineerde concreter in het aangeven van zijn reden. Zo ontving ik ooit een briefje met daarop de vraag, of beter gezegd, opdracht: “u moet mij de wil van God uitleggen want u weet wat God wil. Zelf snap ik niet waarom ik hier ben en daarom ben ik boos en teleurgesteld”. Ook Erik had weer een briefje ingevuld. Dat doet hij ongeveer vier keer per week, meestal zonder opgave van redenen. Nu schreef hij op zijn briefje: “ik ben bang voor de dood”. Diezelfde middag kan ik Erik bezoeken. Meestal heeft dat nogal wat voeten in de aarde, want Erik verblijft op de psychiatrische afdeling met gedetineerden/patiënten die zeer intensieve zorg nodig hebben en meestal een individueel programma hebben, omdat ze niet in een groep kunnen functioneren. Het spreken van iemand op zo’n afdeling kan dan alleen als er niemand anders uitgesloten is van zijn cel. En aangezien op zo’n afdeling iedereen bij toerbeurt er uit mag, is het vaak een hele toer om mijn agenda met het schema van een afdeling in overeenstemming te brengen. Wanneer ik Erik zie, zegt hij:  “de angst voor de dood die leeft niet meer”. Daarop vertelt Erik dat hij naar zijn eigen Pinkstergemeente heeft gebeld en die hebben door de telefoon met hem gebeden. Dat heeft hem goed gedaan. Ik zeg hem dat ik daar blij om ben. Dan zegt Erik: “Ze maken overigens mij nog wel het leven zuur”. Het wordt niet duidelijk wie ‘ze’ zijn. En wanneer ik Erik vraag waarom ‘ze’ hem het leven zuur maken, kijkt hij me verbijsterd aan. “Weet je dat niet?” Hij kijkt me aan alsof ik dat toch zeker zou moeten weten. “Ik ben christelijk en daarom vervolgen ze mij. Dat was buiten ook al zo. En daarom heb ik iemand geslagen.” We praten wat door over zijn vervolging die voor Erik verregaand is en zelfs tot in zijn hoofd reikt. Ik probeer af te tasten in hoeverre Erik nog iets in de realiteit staat door op te merken: “Ik ben ook christelijk maar mij vervolgen ze niet”. Daarop merkt Erik geïrriteerd op dat hij ook niet snapt waarom ik dan niet vervolgd word. Hij wordt dat in ieder geval wel. Dat maakt dergelijke gesprekken altijd zo lastig. Want Erik leeft in een andere werkelijkheid dan ik en ziet dingen die ik niet zie. Ik benoem dat en benoem hoe eenzaam dit voor Erik moet zijn. Om geen mens te ontmoeten, zelfs niet in een ander gelovig mens, de dominee, die hetzelfde waarneemt en ervaart. Erik knikt. Even is er iets van verbinding.
Het bovenstaande gespreksverslag is samengesteld uit een aantal fragmenten van gesprekken. Erik is dus niet een concrete gedetineerde maar is ‘samengesteld’ om toch inzichtelijk te maken, hoe het voor iemand is wanneer je in je eigen wereld leeft.

Ds. Anne van Voorst